Wat herdenken we?

Wij herdenken jaarlijks op 15 augustus het officiele einde van de Tweede Wereldoorlog. Bij deze jaarlijkse nationale herdenking staan wij stil bij de slachtoffers als gevolg van de Japanse onderdrukking in en om voormalig Nederlands-Indië. Wij staan stil bij een oorlog die nog altijd doorwerkt, generaties lang, in ons en onze samenleving, tot op de dag van vandaag.

De historische gebeurtenissen

Begin van de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië

In december 1941 valt Japan de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbour aan en vernietigt vrijwel de gehele vloot. De Nederlandse regering in ballingschap verklaart als bondgenoot van de Verenigde Staten de oorlog aan Japan. Begin 1942 valt Japan het toenmalige Nederlands-Indië binnen. De Nederlandse kolonie wordt snel overmeesterd. Zij is slecht bewapend, omdat de Nederlandse politiek erop had gerekend dat zij gevrijwaard zou blijven van Japanse agressie.

De meeste volbloed Europeanen en een minderheid van de Indo Europeanen worden geïnterneerd en militairen worden krijgsgevangen gemaakt. Duizenden overleven de slechte omstandigheden in de kampen niet. De Indo Europese bevolking en de inheemse bevolking blijft grotendeels buiten de interneringskampen, maar worden uitgebuit en leven veelal in slechte omstandigheden. Niemand is zijn leven zeker. Veel inheemse dwangarbeiders (romushas’s) vinden jammerlijk de dood bij het verrichten van slavenarbeid.

Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting

Interneringskampen

Zo’n 100.000 burgers, waaronder ongeveer 60.000 kinderen, worden begin 1942 geïnterneerd en 42.000 militairen krijgsgevangen gemaakt. De Japanners nemen hun bezittingen af en scheiden de mannen van de vrouwen en kinderen. De omstandigheden zijn in alle kampen erbarmelijk, onder andere door de slechte ‘behuizing’ in barakken en afgedankte loodsen, gebouwen of gevangenissen. In de loop van de daarop volgende jaren raken de kampen overvol doordat de Japanners voortdurend nieuw groepen interneren.

Naast het grote ruimtegebrek creëren de Japanners moedwillig een ernstig voedseltekort. Eigenlijk is er een chronisch tekort aan alles voor een menswaardig en overleefbaar bestaan in tropische omstandigheden. Water is schaars, waardoor de hygiëne steeds meer te wensen overlaat. Allerlei ongedierte krijgt de kans, met uitbraak van ziekten tot gevolg. De kampleiding verstrekt nauwelijks medicijnen. Allerlei tropische ziekten die onder normale omstandigheden al lang waren bedwongen, steken (opnieuw) de kop op.

Lijden

Door langdurige ondervoeding, te lange werktijden en te zwaar werk, raken de geïnterneerden totaal uitgeput. Velen sterven: mannen, vrouwen en kinderen. Jonge kinderen sterven niet alleen door ondervoeding en ziekten, maar ook doordat zij worden ingezet voor arbeid die veel te zwaar is gelet op hun leeftijd.

 

De Japanners beschouwen jongens van 14 jaar en later zelfs vanaf 10 jaar als volwassenen. Ze halen de jongens weg bij hun moeders en voeren ze af naar jongens- of mannenkampen, waar zij als volwassenen worden behandeld. Ook zij worden onderworpen aan een mensonterend regime van zware lichamelijk arbeid en zware lichamelijke straffen.

 

De Japanners straffen en mishandelen veel en onverwacht. Vaak gaat het om de meest onbegrijpelijke ‘misdrijven’ zoals niet groeten of niet diep genoeg buigen op appèl of smokkel. De straffen zijn urenlange appèls of buigingen in de brandende zon, stokslagen en de onthouding van het toch al weinige voedsel of water.

 

Krijgsgevangenen

Krijgsgevangenen zijn in aparte kampen ondergebracht en moeten onmenselijk zware dwangarbeid verrichten. Zeer berucht zijn de werkzaamheden aan de Birma-spoorlijn, de Pakan Baroe-spoorlijn en in de mijnen in Japan. Velen komen hier om door uitputting, ondervoeding, mishandeling of ziekte.

Romusha’s
Een aparte categorie slachtoffers van de Japanse bezetting zijn de zogenaamde romusha’s. Inheemse mannen, die door de Japanners met hulp van inheemse politieke leiders (Soekarno)geronseld zijn voor werk aan spoorlijnen en andere projecten. Later blijkt dat dit onder valse beloften is gebeurd. Naar schatting hebben enkele miljoenen romusha’s door uitputting, mishandeling en ziekte het leven gelaten.

 

Het leven buiten de kampen
De Indonesische bevolking en een belangrijk deel van de Indo-europeanen blijft gedurende de Japanse bezetting buiten de kampen. Maar ook zij blijken overgeleverd aan de wreedheid en willekeur van de bezetter. Gezinnen worden uiteengerukt doordat mannelijke familieleden worden afgevoerd naar de kampen (de vaders en oudere zonen, al dan niet vanwege militaire activiteiten). Ook in de ‘buiten-kampse’ situatie lopen moeders en dochters risico’s. Onder meer om door de Japanners als ‘troostmeisje’ te worden meegevoerd. Voedsel en medicatie zijn schaars en ook aan al het overige is gebrek. Overleven vraagt van iedereen het uiterste aan creativiteit.

Na de capitulatie, in de Bersiapperiode, komen veel Indo-europeanen alsnog in interneringskampen terecht (cynisch genoeg in eerste instantie soms beschermd door Japanse militairen). In hun strijd tegen de terugkerende Nederlandse Koloniale overheid hebben militante vrijheidsstrijders het juist op hen gemunt.

 

Politieke ontwikkelingen buiten de kampen
Kort na de capitulatie van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) wappert hier en daar de Indonesische vlag en valt ook wel het volkslied te horen. De bezetter verbiedt die uitingen echter al vanaf 20 maart 1942. Het streven naar autonomie voor Indonesië wordt vakkundig gesmoord. Het ronselen en trainen van Indonesiërs is uitsluitend bedoeld ter ondersteuning van de Japanse oorlogsinspanning. Het is niet meer ‘Azië voor de Aziaten’, maar ‘Japan het licht, de beschermer en de leider van Azië’.

 

In 1942 richten de Japanners de hulppolitie op, alsmede het groot-Aziatisch jeugdkorps, dat later opgaat in de militaire jeugdbeweging. Verder wordt het systeem ingevoerd voor de buurtgewijze indeling van kampongs en dessa’s in een wijk. Hiermee dringt de Japanse invloed diep in de samenleving door.

Vooraanstaande Indonesiërs krijgen in december 1942 opdracht om een overkoepelende organisatie te ontwerpen. Die moet de volksaktiviteit en samenwerking met Japan bundelen. De koepel is aanvankelijk uitsluitend bestemd voor Indonesiërs en heeft een Indonesische signatuur. Een jaar later wordt zij echter omgezet in een organisatie naar Japanse snit: de Nationale Volksbeweging.

 

In weerwil van de vele vergaderingen van de Nationale Volksbewegingen gaat het slecht met de welvaart. Na de internering van Europeanen en de toenemende Japanse dwangmaatregelen lopen de cultures achteruit en verslechtert de volksgezondheid. De prijzen in 1944 onder de Japanse bezetting zijn het zesvoudige van die in 1938 onder het Nederlands-Indische Gouvernement. Rijstrantsoenen worden verlaagd en er ontstaan voedselrellen. Kleding is niet meer te krijgen. In mei 1945 wordt ernst gemaakt met een belofte van premier Koiso van september 1944 voor meer onafhankelijkheid. De rood-witte vlag wordt toegestaan, de naam Indonesia ingevoerd.

Het krijgstoneel
Terwijl de Japanners heer en meester van de Indische archipel zijn, spelen de gevechten met de geallieerden zich af aan de rand daarvan. De Japanse opmars naar het zuiden in mei en juni 1942 loopt weliswaar vast, maar de Japanners verdedigden de door hen veroverde gebieden met man en macht en ten koste van enorme verliezen, ook aan Amerikaanse zijde. Daarom besluit het Amerikaanse oppercommando om niet eerst Indië te bevrijden, maar om via twee aanvalsroutes (oostelijk en westelijk) zo snel mogelijk tot Japan zelf door te stoten. Kleine eilanden worden van enorm strategisch belang. Vanaf vliegvelden aldaar kunnen bommenwerpers het volgende doel en tenslotte Japan gaan bestoken.

Eén zo’n eilandje is het berucht geworden Iwo Jima. In vier weken tijd is het op de Japanse bezetting veroverd ten koste van geweldige verliezen en gewonden aan beide zijden. Deze grote verliezen deden zich ook voor bij de verovering van Nieuw Guinea en de Philippijnen. Daardoor beseft het Amerikaanse opperbevel dat een invasie van Japan zelf een massaslachting van ongekende omvang zal opleveren.

 

Op dat moment komen de eerste atoombommen operationeel beschikbaar. Amerika besluit om ze als wapen in te zetten en zo worden op 6 en 9 augustus 1945 de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki met de grond gelijk gemaakt. Het aantal doden dat daarbij (en ook later als gevolg van straling) valt, is vele malen minder dan het aantal dat bij een invasie de dood zou hebben gevonden. Het schokeffect is zodanig dat de Japanse keizer, tegen de zin van het leger, besluit om op 15 augustus 1945 te capituleren.

 

De capitulatie
Op 15 augustus 1945 capituleert Japan. Door de communicatieve chaos ten gevolge van de oorlogshandelingen krijgen de geïnterneerden dit pas eind augustus op willekeurige data te horen. De geïnterneerden hebben vaak geen enkel idee wat er in de wereld buiten hun kampen plaatsvindt. Zij hebben geen weet van de ontwikkeling van de nationalistische gevoelens bij de inheemse bevolking. Zij weten ook niets van de bevrijding van Nederland in mei van dat jaar. Berichten daarover blijven geruime tijd geruchten, die hier en daar in de kampen circuleren.

De Bersiap

Maar de oorlog is niet afgelopen! De Japanners hebben zich overgegeven, maar er blijkt een andere oorlog gaande te zijn. Op 17 augustus 1945 roepen Soekarno en Hatta eenzijdig de onafhankelijkheid van Indonesië uit. Omdat onduidelijk is wie na de Japanse capitulatie het gezag uitoefent heeft (gezagsvacuüm), zijn Indonesische strijdgroepen (de zo genoemde Pelopors) een vrijheidsstrijd begonnen. In eerste instantie ongeorganiseerd, vervolgens geleid door hun politieke voorgangers. Zij willen verhinderen dat Nederland, als de koloniale machthebber, opnieuw het gezag over het land gaat voeren.

 

Deze verwarrende en bloedige periode is bekend als de bersiap; het zelfstandig naamwoord van het Indonesisch commando ‘siap’ dat ‘geeft acht’ betekent. De inmiddels gelande geallieerde troepen proberen samen met de Japanners de Nederlanders te beschermen en te evacueren. De geïnterneerde vrouwen, mannen en kinderen willen heel graag het kamp uit om de vrijheid te proeven, maar moeten daar blijven. Nu voor hun eigen veiligheid!

 

Het blijkt te gevaarlijk voor de geïnterneerde Europeanen om zich buiten de kampen te begeven. Doen zij dat toch, over en weer op zoek naar familieleden uit andere kampen, dan zijn zij hun leven niet zeker. In deze periode zijn veel mensen ‘verdwenen’ en vermoord. Ook transporten met evacués over land naar de havenplaatsen lopen groot gevaar, doordat zij worden overvallen.

 

De Indo-Europeanen en de Chinezen hebben het koloniale bestuur altijd gesteund. Ook zij zijn hun leven niet zeker en moeten noodgedwongen alsnog hun toevlucht in de kampen zoeken.

 

Rond de onafhankelijkheid: volksverhuizing
De Nederlandse overheid is eind 1945 weer terug in Batavia (Jakarta) en sommige delen van het land beginnen weer onder Nederlands gezag te functioneren. Desondanks blijkt de Indonesische overheid ‘in wording’ in veel streken het gezag uit te oefenen. Nederland ziet de realiteit nog niet onder ogen: Indonesië wordt een zelfstandig land.

 

Ondanks het feit dat Nederland zelf net vele jaren van oorlog en onderdrukking achter de rug heeft, stuurt het een troepenmacht van ongeveer 100.000 man naar Indië. Na veel mislukte onderhandelingen en twee militaire acties (de ‘politionele acties’ in juli 1947 en december 1948), die onder externe druk beide binnen tien dagen moeten worden afgebroken, erkent Nederland in 1949 het rechtmatig bestaan van de Republiek Indonesia. In december van dat jaar komt er een eind aan 350 jaar Nederlandse betrokkenheid in de Indische archipel.

 

Alle Nederlandse onderdanen moeten het land uiteindelijk verlaten. Tot in de vijftiger jaren verhuizen zo’n 300.000 mensen naar Nederland. Ondanks hun Nederlands staatsburgerschap zijn veel van hen nooit eerder in Nederland geweest. Het blijkt een volksverhuizing naar een land dat generaties lang is ervaren als Moederland op afstand. Ervaren vanuit een Vaderland waar men zijn of haar wortels weet. Voor velen is deze ‘thuiskomst’ dan ook onlosmakelijk verbonden met ontworteling en met het achterlaten van een eigen, niet altijd (h)erkende geschiedenis.

 

Wat eraan vooraf ging: waarom ontstond de Japanse agressie

Weinigen staan stil bij het feit dat Nederland in de 19e eeuw een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de metamorfose die Japan destijds onderging. Van een van de buitenwereld afgezonderd land ontwikkelde het zich tot een internationaal belangrijke industriële mogendheid. De Nederlandse bijdrage bestond ondermeer uit kennis op het gebied van de scheepsbouw.

 

Door de sterke industrialisatie had Japan behoefte aan grondstoffen, die het zelf niet bezat. Het land volgde daarom het voorbeeld van de westerse mogendheden, die zich rond 1900 via koloniën van grondstoffen voorzagen. Nederland vocht toen bijvoorbeeld in de Indische archipel om het olierijke Atjeh. In 1905 eigende Japan zich Mantsjoerije toe, tegen de zin van Rusland en de westerse mogendheden. Zij gingen wel akkoord met de Japanse kolonisatie van Korea en Taiwan.

 

De westerse kleinering van Japan was de Japanse militairen een doorn in het oog. In 1912 overleed de Japanse keizer Meiji, onder wiens bewind het land zich industrieel zo ontwikkeld had. Hij werd opgevolgd door zijn lichamelijk en geestelijk niet erg krachtige zoon. Gedurende diens zwakke bewind zorgden de militairen ervoor dat zijn zoon Hirohito van kinds af aan sterk militairistisch werd opgevoed en getraind. Hoewel Hirohito geen martiale uitstraling had, bleek hij intellectueel en militair wel begaafd.

 

Toen Hirohito in 1926, na de dood van zijn vader, keizer werd, zagen de militairen langzaam maar zeker kans om de Japanse staat naar hun hand te zetten. Het resultaat was uiteindelijk een militiare dictatuur, waaronder de Japanse burgers nog tot medio 1945 zouden zuchten. Daarbij werden zij geïndoctrineerd met opofferingsgezindheid voor de keizer. De indoctrinatie ging zo ver, dat van iedereen verwacht werd zijn of haar leven voor de keizer te willen geven. Eén van de gevolgen was dat veel militairen geen schuldgevoel konden opbrengen voor oorlogshandelingen en misdrijven die zij in naam van de keizer begingen.

In 1931 wist het Japanse leger Mantsjoerije alsnog te annexeren. De internationale gemeenschap protesteerde wel, maar deed verder niets. Toen werd de blik op China gericht. De westerse mogendheden waren ook daar hun invloed aan het uitbreiden. In Sjanghai waren een Engelse, Duitse en Franse enclave en de Engelsen probeerden met de invoer van opium de wankele Chinese regering onderuit te halen. Japan echter vond dat ‘Azië voor de Aziaten’ bestemd was.

 

In 1933 verliet Japan doelbewust de Volkenbond. Het onttrok zich daarmee aan de internationale vlootverdragen, waarmee de internationale gemeenschap de uitbouw van de Japanse vloot dacht te blokkeren. Japan bewapende zich sterk met de bouw van grote slagschepen, krachtige torpedo’s en zeer wendbare jachtvliegtuigen. Het leger, inmiddels gehard in jarenlange veldtochten, specialiseerde zich in het gevecht in de jungle.

 

Ondanks meerdere landingen en massa-executies als in Nanking – waarbij honderdduizenden burgers afschuwelijk werden vermoord – boekte Japan te weinig successen in China. Daarom besloten de Japanse militairen, met medeweten van keizer Hirohito, heel Zuidoost-Azië onder controle te krijgen. De eerste stap was het bezetten van enkele strategische eilanden ten zuiden van China in het voorjaar van 1939. Door de alliantie met Duitsland werd vervolgens in september de vrije toegang tot Frans Indo-China afgedwongen van de collaborerende Vichy-regering in Frankrijk.

Dit leidde tot onderhandelingen met de Verenigde Staten. Die dreigden met een olieboycot als China en Indo-China niet werden ontruimd. Tegelijkertijd stuurde Japan een delegatie naar Batavia (Jakarta) om de levering van olie uit Nederlands-Indië te regelen. De afwijzing daarvan eind juni 1941 door het Indische Gouvernement en het olie-embargo van de Verenigde Staten in augustus 1941 werden in Japan uitgelegd als de samenzwering van wat toen de ABCD-landen werd genoemd (the Americans, the British, the Chinese and the Dutch).

 

Hierop ontstond het gedurfde plan om door een aanval op Pearl Harbor in één klap de Amerikaanse vloot in de Pacific uit te schakelen. Daarna zou de weg naar Malakka, Singapore, het olierijke Nederlands-Indië, de Philipijnen en zelfs Australië open liggen.

Op 7 december 1941 bombardeerden de vliegtuigen van de Japanse marine Pearl Harbor en openden daarmee de oorlog in de Pacific. Die Japanse aanval werd – voor Japan – een groot succes, ook omdat de Japanse luchtmacht in de dagen daarna de helft van de Amerikaanse bommenwerpers op de Philippijnen vernietigde en bij Singapore de Britse slagschepen met torpedo’s en bommen tot zinken bracht. In de tijd van een paar weken veroverde Japan Malakka, Singapore, Nederlands-Indië en de Philippijnen.

De strijd was kort omdat de geallieerden – waaronder de Nederlanders – de kracht, de technische uitrusting en de taaie volharding van het Japanse militaire apparaat volledig hadden onderschat. In Nederlands-Indië had de overheid er bovendien niet op gerekend dat de lokale bevolking de Japanners aanvankelijk als ‘bevrijders’ zou binnenhalen en toejuichen. In de nacht van 26 op 27 februari ging de Nederlandse vloot bij de Slag in de Java Zee ten onder en op 8 maart 1942 capituleerde het Koninklijk Nederlands Indisch Leger.

Deze tekst is een verkorte, bewerkte versie van het origineel: ’15 augustus en de oorlog in Zuidoost-Azië’ door Hans Liesker en Peter Slors.

Achtergrondinformatie

Met de capitulatie van Japan kwam er wereldwijd een einde aan de tweede wereldoorlog
Aanmelden vanaf 1 juni

 

 

 

Mede mogelijk gemaakt door

én onze vele donateurs en vrijwilligers!