Thema 2018

De Geest Overwint

‘De stille kracht die alle weerstand tart.’ – Albert Verweij. De Geest Overwint was het thema van de Nationale Herdenking op 15 Augustus 2018. 15 augustus 1945 is het officiële einde van de Tweede Wereldoorlog binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Op deze dag herdenken we ieder jaar bij het Indisch Monument in Den Haag álle slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de directe gevolgen daarvan.

In 2018 was het thema van de herdenking ‘De Geest Overwint’. Een ode aan de veerkracht van een generatie die de mentale kracht had om op te staan tegen onvrijheid en geweld. Een ode aan dat wat ons tot de dag van vandaag verbindt – de overstijgende kracht van de menselijke geest.

Op 15 augustus 2018 was het dertig jaar geleden dat Koningin Beatrix het Indisch Monument in Den Haag onthulde waar jaarlijks de Nationale Indiëherdenking plaatsvindt. Dit jaar spreekt schrijver Geert Mak tijdens de herdenkingsplechtigheid bij het Indisch Monument.

15 augustus 1945 is een kantelpunt in de Nederlandse geschiedenis. Het oorlogsgeweld en de grootschalige ontheemding hebben een enorme impact gehad op Nederland. De oorlog in Azië werkt door tot op de dag van vandaag bij vele mensen, families en onze samenleving als geheel.

Als gevolg van de oorlog wonen er in Nederland inmiddels ruim 2 miljoen mensen met wortels in voormalig Nederlands-Indië. Met allen een eigen (oorlogs)verhaal. Een brede mix van Nederlanders met o.a. een Indische, Molukse, Papoea, Chinese of Indonesische achtergrond.

Speeches | 15 augustus 2018

Voor liedteksten ga naar www.15augustus1945.nl/liedteksten
Erry Stoové | Welkomstwoord Erry Stoové
Voorzitter Stichting Nationale Herdenking 15 Augustus 1945

Excellenties, Geachte aanwezigen,

Het is mij een grote eer u welkom te mogen heten bij de Nationale Herdenking 15 Augustus 1945, waarbij wij stilstaan bij de capitulatie van Japan waarmee een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Een bijzonder welkom aan allen die de oorlog aan den lijve hebben ondervonden.

 

Dertig jaar geleden onthulde toenmalig Koningin Beatrix het Indisch Monument met daarop de inscriptie “De Geest Overwint”. Die boodschap staat centraal bij deze herdenking.

 

Vandaag, op deze 15de augustus, brengen wij een eerbetoon aan de oorlogsgeneratie en herdenken wij nadrukkelijk alle slachtoffers van de Japanse bezetting. De datum van 15 augustus symboliseert dat onbeschrijflijk gevoel van opluchting, toen er een einde kwam aan de vernederingen door de Japanse overheerser. Maar wij realiseren ons ook dat op 15 augustus de oorlog voor velen niet voorbij was. Er volgde nog een lange periode waarin velen zowel lichamelijk als geestelijk op de proef zouden worden gesteld. Soms tot op de dag van vandaag.

 

En de vraag is hoe men de moed en de kracht heeft gevonden om de tirannie te trotseren. Straks zullen de kransen voor de burgerslachtoffers en de militaire slachtoffers worden gelegd door mevrouw Maudy de Haas-De Bruin en de heer Ririhena. De drie generaties krans zal gelegd worden door de heer De Wilde met zijn dochter en twee van zijn kleinkinderen. Zij belichamen de veerkracht en de waardigheid van de oorlogsgeneratie en staan symbool voor onze opdracht het verhaal door te geven aan volgende generaties.

 

Op onze vraag hoe de oorlogsgeneratie zich staande wist te houden vertelde Thea Meulders, al jaren actief als gastdocent , mij onder meer dat veel vrouwen moed putten uit een ogenschijnlijk simpele maar effectieve daad van verzet. Elke avond bij het strijken van de Japanse vlag, met de zo gehate rode zon, zongen de vrouwen uit volle borst het liedje “het zonnetje gaat van ons scheiden”. En ook buiten de kampen werd het liedje veelvuldig gezongen.

 

Dat klinkt zo…… Dit liedje gaf de vrouwen moed omdat het de gedachte voedde dat de oorlog eens voorbij zou zijn. En zo bleven zij overeind. In de woorden van de dichter Albert Verweij luidt de boodschap voor onze Herdenking als volgt :

 

“Wie waarlijk leeft, heeft in zijn hart

Een onvernietigbare veer,

Een stille kracht, die iedere weerstand tart. “

De Geest Overwint.

Ik wens u een gedenkwaardige en troostrijke herdenking.

 

 

Voordracht door Geert Mak | 15 augustus 2018

 

Dames en heren,

 

Gelige foto’s, een paar dikke mappen met brieven, ansichtkaarten, wat onduidelijke spullen, flarden van een familieleven. Het is bij mij allemaal weggestopt in één grote grijze hutkoffer. Ik weet dat die er staat, ik kijk er nooit meer in.

 

Mar ik weet heel goed dat in die koffer piepkleine briefjes zitten met optelsommetjes en delingen – de stille getuigen van het onderwijs waarmee de nonnen achter het prikkeldraad stug doorgingen, totdat het papier op was en het schoolbord versleten en ze enkel nog het zand hadden om in te schrijven. Ik weet dat er een zelfgetekend ganzenbord in zit, een jurkje van parachutegoed, een stuk borduurwerk van mijn zus Tineke, en ook een zelfgemaakt kalendertje met opwekkende levensspreuken. Er zit een stukgelezen Bruintje-Beer boekje in waarbij vooral de plaatjes met maaltijden nauwkeurig zijn ingekleurd, die tafels met grote puddingen – ‘We konden daar heel lang naar kijken,’ vertelde mijn broer Hans later. In een mapje zit een reeks vaardig getekende cartoons op WC papier die mijn vader, legerpredikant aan de Birmaspoorweg, ooit op zijn verjaardag kreeg, ‘in technocolor’. En ergens ligt ook een bundel vlekkerige papiertjes met notities als: ‘3 januari 1943: begraven L.,T., en V. ’s Avonds gepreekt. 6 januari: vanmorgen begraven D met drie anderen. 9 januari: voor troost speelt Wim Kan vlak naast het hospitaal. 14 januari: LvdB bezweken: ‘Groeten aan vrouw en kind.’ Ja, dat woont allemaal in die grijze hutkoffer.

Ik ben van naderhand, ik hoor, net als de meesten van u, tot de generatie met enkel nog dit soort koffers op zolder. We hebben het niet meer meegemaakt maar we groeiden vaak wel op in gezinnen die min of meer ontheemd waren en die met veel moeite en pijn een nieuw thuis probeerden te scheppen – niet zelden vermengd met een stevige portie nostalgie, want hoe verleidelijk is het niet om de film almaar opnieuw terug te draaien en om tien of twintig of honderd jaar geschiedenis stomweg te ontkennen. We hadden te maken met gezinsleden die soms zwaar beschadigd waren. Mijn broers en zus waren vooral weer overlevers, dat had je ook. Ze hadden honger, dood en verderf doorstaan, inderdaad, hun geest had overwonnen, en dat had ze taai en trots gemaakt: niets en niemand kon hen nog wat maken. ‘Erger dan dood kan toch niet,’ riep mijn broer Gjalt en klauterde probleemloos in de hoogste boom. En hij had lak aan iedere autoriteit. In die sfeer ben ik opgegroeid, niet altijd gemakkelijk, maar ik ben er ziels dankbaar voor.

U zult dit wellicht herkennen. Onze generatie bestond uit typische vredes- en welvaartskinderen, de meesten van ons waren en zijn allesbehalve slachtoffers, en toch zat de oorlog elke dag bij ons aan tafel. Vaak zwijgend, soms ook met duizend en één verhalen want er moest hoe dan ook orde komen in die chaos van herinneringen. Alleen zo kon immers het geschonden zelfbeeld weer worden hersteld, kon de familie weer aaneen worden gesmeed.

 

Die herinnerde oorlog, die oorlog aan de eettafel, heeft, denk ik, de naoorlogse generatie veel meer bepaald dan we ons realiseren. Ook in politiek opzicht. Wij waren en zijn er immers, ondanks al onze verschillen, diep van doordrongen hoe belangrijk vrede is, en hoe broos. Dat gold ook voor veel diplomaten en politici, over heel Europa. Ze gooiden zich voluit op het Europese vredesproject, ze wisten hoe het anders kon zijn, die koffers op zolder gaven hun telkens weer de moed om over hun schaduw heen te springen. De geest overwon zo, ook lang na de oorlog, telkens opnieuw.

 

De geest overwon, maar de geest kon soms ook rare paden bewandelen. In 2009 hield de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie een legendarische toespraak onder de titel: ‘The Danger of the Single Story’. Dat gevaar ontstaat als ingewikkelde situaties – zoals in Afrika, maar het geldt net zo goed voor de Nederlandse en de Indische geschiedenis – worden teruggebracht tot één simpel verhaal. Herinneringen bepalen immers in sterke mate onze identiteit, ook onze gemeenschappelijke, zo men wil nationale identiteit. Er kan dan gemakkelijk een stille strijd ontstaan ‘om het verhaal’. Geschiedenis is, in die eenzijdige benadering, geen poging meer tot kennisoverdracht of het ordenen van een historische chaos. Nee, het is enkel nog een banier waaronder strijdende partijen elkaar te lijf gaan. En allemaal draait het om de vraag, nu weer meer dan voorheen: ‘Wie zijn wij?’

Dat gebeurde na de oorlog heel duidelijk met het Indische verhaal.

Decennia lang kon dat nauwelijks een plaats krijgen in het Nederlandse zelfbeeld over de oorlog. ‘Oh ja, die mensen waren er ook nog, in de Japanse kampen. Sneu!’ Dat wegkijken had alles te maken met het Nederlandse droombeeld van nationale ‘onschuld’ waarin we onze koloniale geschiedenis niet goed konden plaatsen. Maar voor de betrokkenen was het uitermate pijnlijk, en het laat zien hoe die ene eenzijdige benadering van geschiedenis, een geschiedenis zonder vragen en discussie, een vorm van geschiedschrijving die in zijn simpelheid vaak maar al te aantrekkelijk is voor bepaalde leiders en volksmenners, hoe wreed die vorm van geschiedschrijving kan zijn. Ieder mensenleven, zei Chimanda Adichie, bevat een heel complex aan verhalen. Als je daar slechts één verhaal uitlicht tast je niet alleen de werkelijkheid aan, maar ook iemands menselijkheid. Dat geldt ook voor ons. Toen. Maar nu, in deze andere wereld, net zo goed.

 

De hutkoffers staan nog steeds op zolder. De oorlogsgeneratie is al bijna helemaal van het toneel verdwenen, en ook hun kinderen beginnen te vertrekken. Opnieuw leven we in een gecompliceerde en gevaarlijke fase van de geschiedenis. De internationale orde die na de Tweede Wereldoorlog met ongelofelijk veel moeite is opgebouwd wordt nu in hoog tempo gesloopt, de ongekende periode van Europese vrede en welvaart lijkt ten einde te lopen. Wat hierna komt, niemand weet het. De geest van toen vervaagt nu snel.

 

Of niet? Sarajevo, het ooit zo geteisterde Sarajevo, kent sinds kort het Warchild Museum. Alle jongeren die het beleg van de stad, in de jaren negentig, als kind hadden meegemaakt werden opgeroepen om een voorwerp in te leveren dat voor hen, in die zware tijd, van levensbelang was geweest. Er kwamen honderden inzendingen. Toen ik door het museum liep was het alsof die koffer bij mij op zolder eindelijk weer open ging: opnieuw zag ik briefjes op WC-papier, een zelfgemaakt voetbalspel, een kinderkleren van een paar vodden, een vlekkerig dagboekje. Er was zelfs een robotmannetje van blauw en goudkleurig plastic, het lievelingsbezit van een jongetje, Sanin, die soms water of hout moest halen terwijl rondom hem de granaten insloegen. ‘Robots zouden dat voor de mensen kunnen doen,’ droomde Sanin dan, ‘Wat een levens zou dat schelen.’

Sanin leefde, hij overwon en zijn kleine sterke geest overwon. Zo zal het doorgaan, overal, altijd weer. Omdat we mensen zijn. Door alles heen. Gewond vaak, ja, en toch sterk. Sterke mensen.

 

 

Karlijn Jansen | Leerlinge van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum

Een tijdje geleden werd bij het vak Nederlands bij ons op school een gedicht van Remco Campert behandeld. Ik draag het voor; Verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden, zoals storm met zacht geritsel in de tuin of de kat die de kolder in z´n kop krijgt, zoals brede rivieren met een kleine bron verscholen in het woud

 

zoals een vuurzee

met dezelfde lucifer

die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik

een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen

daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

 

Toen mij gevraagd werd een speech voor de herdenking van vandaag te schrijven, moest ik meteen aan dit gedicht denken. Want treft het niet precies de kern van waar het bij een herdenking, bij déze herdenking over gaat? Wat bedoelt de dichter als hij zegt : ‘Jezelf een vraag stellen.. en dan die vraag aan een ander stellen.’ Ik vroeg me af: Wát is ervoor nodig is om die vraag te stellen? Wié is ervoor nodig om zo’n vraag te stellen? Wanneer zegt iemand: ‘Nu is het genoeg, dit gaat me te ver’?

Wat moet er gebeuren voordat ik zo’n vraag zou stellen!

Ook in onze tijd wordt die vraag nog gesteld. Gelukkig maar.

 

Ik denk aan de Pakistaanse Malala. In haar kritische weblog vroeg zij zich af: “Waarom hebben alleen jongens recht op onderwijs en meisjes niet?” Malala kreeg er de Nobelprijs voor de Vrede voor. Haar strijd is overigens nog lang niet gestreden. Haar verzet tegen het gevoelde onrecht is nog steeds niet overbodig.

 

Ook moet ik – op een heel ander terrein – denken aan Boyan Slat uit Delft, die op zijn zestiende tijdens het duiken in Griekenland meer plastic dan vissen zag. Hij stelde zichzelf de vraag: “Moeten we blijven toezien dat de vissen vervangen worden door plastic?” In mijn idee vond Boyan Slat de vervuiling onrechtvaardig ten opzichte van de kwetsbare natuur.

Inmiddels ondernemen mensen op verschillende plaatsen acties om de plastic soep terug te dringen en het water terug te geven aan de vissen. Ook zijn strijd is nog lang niet gestreden. Ook zijn verzet tegen het gevoelde onrecht is nog steeds niet overbodig.

 

Achter de vragen en het verzet van Malala en van Boyan Slat gaan twee soorten motieven schuil: een moreel motief (namelijk: ongelijkheid bestrijden) en een fysiek motief (te weten: het beschermen van het milieu). Er is natuurlijk een groot verschil tussen déze vormen van verzet en verzetsdaden in oorlogstijden. Maar er is ook een overeenkomst, namelijk het niet-kunnen-leven met situaties van onrecht, dat door anderen opzettelijk of uit nalatigheid veroorzaakt is. Voor het plegen van verzet heb je niet alleen een scherp afgesteld geweten nodig, maar ook nogal wat moed. Hoevéél moed hangt samen met de consequenties. Wie zich anno 2018 in Nederland verzet tegen onrecht, ondervindt nauwelijks ernstige gevolgen. Geen fysieke gevolgen zoals appèl-staan in de brandende zon, buigingen of uithongering. Wij mogen gelukkig opkomen voor wat wij onrechtvaardig of kwetsbaar vinden.

 

Hoe was de situatie in de oorlog in Nederlands-Indië, vroeg ik mij af. Wérd er überhaupt wel verzet gepleegd in en buiten de kampen? En áls dat al zo was – hoe zag dat verzet er dan uit? Het antwoord daarop kon ik niet gemakkelijk vinden. Mensen praten niet graag over hun tijd in een kamp. Ik heb die vragen aan mijn grootmoeder, mijn Bonma, gesteld en aan mevrouw Van den Heuvel, een vriendin van Bonma. Zij hebben de oorlog in Nederlands-Indië allebei zelf meegemaakt. Bonma zat als achttienjarig meisje met haar moeder en een zusje drie lange jaren in kamp Lampersari.

 

Bekend is een verhaal uit kamp Banjoe Biroe, waar Bibi Smit twee radiootjes naar binnen had gesmokkeld. Zij beluisterde daarop verschillende nieuwszenders. In Tjimahi zat Corry Vonk, de vrouw van de cabaretier Wim Kan. Door haar onverwoestbaar goede humeur en haar cabaret hield zij bij haar medegevangenen de moed erin. Bibi Smit en Corry Vonk liepen zodoende welbewust risico’s. Maar zij wilden niet teruggebracht worden tot een organisme dat alleen tot lichamelijk (over)leven in staat was. Zij bleven zich in elk geval moreel verzetten tegen hun situatie.

 

‘Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden’, begint Remco Campert zijn gedicht. Alleen al het zingen van het liedje ‘Het zonnetje gaat van ons scheiden’ was in en buiten de kampen zo’n kleine daad van moreel verzet. Voor moreel verzet ontstaat pas ruimte als mensen enige fysieke conditie hebben. Bonma’s ervaring maakt dat duidelijk: “Niet alleen de pleger van een verzetsdaad werd streng gestraft, maar vaak ook het hele kamp. Daarom durfden kampbewoners na een tijdje geen voorwerpen meer te ruilen met mensen van buiten de kampen. De consequenties wanneer zij betrapt werden, waren te groot.” Toch verzette haar moeder, mijn overgrootmoeder, zich tot aan het einde van de oorlog. Zij werkte in de keuken. Met een blaadje sla dat zij heel soms daarvandaan stiekem meenam kon ze haar dochters iets voedzaams te eten geven. Een kleine daad als begin van verzet.

 

Ik ben voorlopig nog niet uitgedacht over verzet en verzetsdaden. Wanneer stel ik mezelf een vraag? Wanneer durf ik met het antwoord ook daadwerkelijk iets te dóen? Wanneer negeer ik mijn angst voor de consequenties en laat ik mijn stem horen en mijn mening zien?

Eén ding weet ik zéker: ik heb een grenzeloos respect voor wat mensen destijds in en buiten de kampen hebben doorstaan. Wat een respectabel gevoel voor rechtvaardigheid hadden zij, dat hen vragen heeft doen stellen en hun de moed gegeven heeft om zich te verzetten! 

Mediakit 2018

Download via de onderstaande button de mediakit van 2018 inclusief speeches, persbericht, programmaboekje, poster, flyer, video- en beeldmateriaal.

Persmateriaal
Mede mogelijk gemaakt door

én onze vele donateurs en vrijwilligers!