VOORDRACHT VAN DE HEER KICK STOKHUYZEN OP 15 AUGUSTUS 2008 BIJ HET INDISCH MONUMENT TE DEN HAAG
15 augustus 2008
Duizenden mensen! Duizenden bloemen! Mensen en bloemen spreken op geëerde momenten dezelfde taal. U allen en ik herdenken dat wij, ten koste van vele levens en veel leed de vrijheid herwonnen op een tiranniek volk, dat zich uitverkoren noemt maar in de uitoefening van zijn zelfverheerlijking alleen maar wreed is en zich daarmee onbeschaafd toont.
Maar: de oorlogsgeschiedenis van Nederlanders in het voormalig Nederlands Oost-Indië is eigenlijk nooit geschreven. De burgerinterneringskampen van mannen, apart van vrouwen en kinderen en apart ook van de enkele jongenskampen, waren dermate van elkaar geïsoleerd dat elk kamp een eigen ontwikkeling doormaakte en een samenhangende eenheid vormde. Die eenheid leefde volgens eigen gestelde normen, wetten en gebruiken en zou dus ook een eigen geschiedenis kunnen schrijven, geheel verschillend van die van het misschien wel vlakbij gelegen andere kamp. Alleen….. de geschiedschrijvers ontbraken meestal.
De geschiedenis moest naderhand worden geschreven door alle verhalen van talloze individuen vast te leggen, te vergelijken en te bundelen om zo tot één verhaal te komen dat de objectieve waarheid zoveel mogelijk benaderde.
En zo is ook mijn verhaal over het jongenskamp in het 15e bataljon in Bandoeng, een vroegere kazerne van het K.N.I.L., het Koninklijk Nederlands Indisch leger, waar ongeveer 10.000 burger geïnterneerde mannen in barakken waren samengepropt met 900 in hun eigen wijk ondergebrachte jongens; niet van elkaar geïsoleerd, maar door een wand van gedek wel degelijk streng gescheiden. Om zeer begrijpelijke en verstandige redenen overigens.
Terug naar begin mei 1945:
Ongeveer 900 jongens, allen in de leeftijd van 11 tot 13 jaar, waren uit het vlakbij gelegen Tjihapit vrouwenkamp naar het 15e bataljon gedreven. Ik was één van die 900! We moesten te voet gaan, dan kon je maar een minimum aan eigendommen meezeulen. Wat tóch tijdens de voetreis te zwaar werd, liet je gewoon op straat achter. En dat was veel, want je was veel te optimistisch over je eigen draagkracht. Wat je uiteindelijk overhield was je opgerolde matrasje, een bundeltje kleren en enkele zeer geliefde eigendommetjes, meer niet! Onze moeders waren op transport gesteld naar andere kampen op West- en Midden-Java, vermoedelijk als straf voor het nog steeds in bezit hebben van contrabande, verboden artikelen, zoals radiootjes en zo. Maar het kan ook zijn dat we de reden voor die straf zelf hebben verzonnen, want ik zie geen Japanner in staat om zo iets uit te leggen aan gevangen genomen vrouwen van de vijand. Je had gewoon te doen wat hij zei.
900 jongens bleven achter in een snel leeglopend vrouwenkamp. Dagelijks werd een grote groep vrouwen afgevoerd en dus ook dagelijks bleef een nieuw groepje jongens achter dat aansluiting zocht bij reeds rondscharrelende andere jongens of zelf een nieuwe scharreleenheid vormde. Binnen 2 weken waren 12.000 vrouwen weggevoerd. Waar naartoe wist niemand!
Op bevel van de Japanner waren ongeveer 100 sterke, jonge vrouwen geselecteerd om achter te blijven en het verlaten gebied op te ruimen. Alle huizen moesten worden leeggehaald, alle meubels gesorteerd en op centrale plekken verzameld: bedden bij bedden, kasten bij kasten, enzovoort. Een enorme klus!
En daar tussendoor scharrelden kleine en grotere groepen jongens die de tuinen en de lege huizen van de ontheemde wijken afstruinden op zoek naar eten. Dat was in het begin niet zo moeilijk. Alle weggevoerde moeders hadden immers voor hun achterblijvende zonen zoveel mogelijk voedsel achtergelaten en in de meeste tuinen groeiden wel wat tomaten of komkommers.
Maar dat kon natuurlijk niet lang zo doorgaan. De “meubeldames” vroegen uit hun midden een tiental vrouwen hun intrek te nemen in enkele reeds opgeruimde huizen om de samengevoegde groepjes jongens onderdak te geven en enig toezicht te houden. Het lúkte, binnen één dag!! De jongens vonden een moederlijk, corrigerend oog best plezierig en de “huismoeders” vonden zóveel kinderlijke aanhankelijkheid héél dankbaar. Na ongeveer 10 maanden was dat grote Tjihapitkamp opgeruimd. De “meubeldames” werden op transport gesteld, zij hadden hun werk gedaan, en dus moesten de jongens naar het 15e bat.
En daar had het keizerrijk Japan een nieuwe kwelling bedacht. Het was verboden om potlood en beschreven of onbeschreven papier te bezitten of bij zich te dragen en iedere vorm van kennisoverdracht (lesgeven dus) was streng verboden en zou onmiddellijk zwaar worden bestraft. Dat is, denk ik, misschien wel de meest pure vorm van culturele genocide.
Elke bijeenkomst van één volwassene en enkele jongens werd beschouwd als lesgeven en bestraft met uitlevering aan de beruchte Kempeitai (de uiterst wrede Japanse Militaire Politie) met martelingen en onthoofding. Andere mildere straffen kende het keizerrijk Japan niet!
Maar tóch, ja tóch waren er enkelen die alles trotseerden en letterlijk hun leven waagden. Dat waren de stille helden, de naamloze oorlogshelden!
Ik herinner mij een wiskundeleraar van “een” middelbare school ergens op Java. Welke? Ik weet het niet meer. Wellicht heb ik het nooit geweten. Ook zijn naam weet ik niet meer. Een uiterst klein groepje jongens hurkte om de andere dag een uurtje om hem heen. Met een stokje tekende hij de meetkundige figuren, die hij nodig had voor zijn verhaal, in het zand. Als er een Japanner in zicht kwam werden de figuren gauw met de voeten uitgeschoffeld en de jongens gingen zingen. Dat mocht wel van de Jap. Het heeft vrij lang geduurd. Wel een week of 7,8. Ineens bleef onze leraar weg. Niemand wist waarom. Was hij echt aan de Kempeitai uitgeleverd, gemarteld en vermoord? Ik weet het niet.
Ik herinner mij een dominee van “een” kerkgenootschap ergens op Java. Welke gemeente? Ik weet het niet. Zijn naam? Misschien heb ik die nooit geweten.
Ademloos luisterden wij enkele maanden lang naar zijn geschiedenislessen: de achtergronden van de Eerste Wereldoorlog, de Russische revolutie en de moord op de laatste Tsaar en zijn hele familie. De heldhaftige Boerenoorlog in Zuid-Afrika en de groei en bloei van de VOC, de Verenigde Oost Indische Compagnie.
Hij had óók een stokje in zijn hand, maar dat was om de maat te slaan als wij plotseling moesten gaan zingen. Ineens bleef hij weg. Niemand wist waarom. Was hij echt aan de Kempeitai uitgeleverd, gemarteld en vermoord? Ik weet het niet.
Ik herinner mij de tolk van ons kamp, die zijn studiekeus wel diep betreurd moet hebben. Nu werd hij slechts regelmatig afgeranseld omdat de Jap zei dat hij weer verkeerd had vertaald. Als hij eerder had ontkend dat hij Japans sprak en verstond betekende dat na uitkomst van het bedrog, wat vroeg of laat natuurlijk tóch zou gebeuren, een zekere onthoofding! En dus móest hij wel kiezen voor dagelijkse aframmelingen.
Dit zijn maar een paar voorbeelden uit één kleine groep naamloze helden. Mijn helden. Een kleine groep die vermoedelijk wel in elk kamp heeft bestaan. Ik heb ze niet kunnen bedanken, ook niet postuum, omdat ik hun naam niet eens ken. Bedanken voor de hulp die ze me gegeven hebben in mijn later in Holland gevoerde langdurige strijd tegen de kennisachterstand. Maar, hoeveel éxtra leed deze naamlozen hebben betaald in de oorlogsgeschiedenis van Nederlands-Indië is nooit gewogen, noch verteld. En dat wilde ik op deze herdenkingsdag gezegd hebben.
Er zal nog veel moeten gebeuren vóór het keizerrijk Japan zijn structurele oorlogsmisdaden zal toegeven en daarvoor vergeving zal vragen. Bij de zelfverheerlijking van een zogenaamd uitverkoren volk past immers geen boetekleed!
Verdriet lijd je met elkaar en vreugde vier je met elkaar en ook eerbied en respect toon je met elkaar. Maar de eens met zoveel leed en moed verworven vrijheid is niet alléén van óns.
Die is van iedereen, van alle generaties, van alle tijden en moet dus blijvend herdacht worden. Eérst nog door ons, later door jongere generaties. Dáárvoor is déze dag en dáárvoor dient dit monument.
(Gesproken woord geldt)